|
AKBAR AKBAR PETRUS ABRAHAM SAMUEL VAN LIMBURG BROUWER Voor den lezer die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het boek voorkomt en wat daarin is verdicht strekke het volgende. Bepaald geschiedkundige personen behalve Akbar zelf zijn: Selim zijn zoon; Aboel Fazl zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva de Jezuiet en enkele anderen van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch persoon maar toch een type gelijk er meer dan een in de geschiedenis van Indie en in 't bijzonder van Kacmir valt aan te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in zeker opzigt eene historische figuur voorzoover zij het beeld der echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen gelijk die in het drama en de legende van Indie ons wordt voorgesteld. Verscheidene gezegden eindelijk den personen in den mond gelegd zijn mede historisch.--In enkele punten is om ligt begrijpelijke redenen eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar regeerden in Kacmir geen Hindoe-vorsten meer hoewel het land voor 't overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim waarvan de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld geschiedde gedurende den togt niet tegen Kacmir maar tegen Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf voor diens moord; Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van geen invloed zijn. In den stijl van het werk is in 't bijzonder bij de gesprekken voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van vreemde woorden doenlijk scheen naar behoud van den Oosterschen vorm gestreefd en bij de spelling van eigennamen meer gelet op gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst. Eene uitvoerige opgave van de bronnen die bij de zamenstelling hebben gediend zal men hier wel niet verlangen; en den geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te deelen. Hij toch weet dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van Akbar's leven instellingen en begrippen zijn waaruit de meeste latere zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput en dat de berigten der Jezuieten uit het Hindostan van zijn tijd schoon menigmaal blijkbaar onjuist toch in vele opzigten tot aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers. Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken van meer of minder uitgebreidheid reisbeschrijvingen en plaatwerken in dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden vertellingen romans en drama's die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen en voor de eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar die overigens nog 't best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander Abdal Kadir zijn op te maken de Vedische of oud-Indische voorstellingen waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eene bron verdient nog bijzondere vermelding omdat ze tot heden niet bekend werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden onzer Oost-Indische Compagnie die kort na Akbars regering te Soeratta en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons oud-koloniaal archief. Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden vooral wat plaatsbeschrijvingen aangaat nog altijd bestaan. In zoover die nu hier of daar mogten zijn ingeslopen kan de schrijver wel niet anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing. Den Haag October 1872. v. L. B. EERSTE HOOFDSTUK. Een kluizenaar Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinath langs de steile hellingen van het Himalaya-gebergte terwijl een zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen en waren gelijke geuren omhoog gestegen zonder stoornis of verandering zoo 't schijnen mogt dier altijd jeugdige maar eenzame natuur terwijl daar omlaag in verre verte menschen kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden en diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te vinden voor het bestaan van het heelal. Ook nu--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer jaartelling toen Djelal-ed-din Mohammed bijgenaamd Akbar of de Groote en onder dien naam meest bekend het magtig rijk der Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans--ook nu bleef dat hooge gebergte nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische Deva's lusthof thans van Britsche aristocraten nog een wild en onherbergzaam door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel die nu en dan of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende insectenzwermen dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als verborgen in het hooge gras der berghelling lag behagelijk uitgestrekt een groote fraai gevlekte tijger droomend en als in wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen dan weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht en omlaag starend naar de liefelijke groene vallei die daar beneden zich uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht soms dus omhoog blikkend soms nederziend in de diepte? Misschien wel met nevelachtig weer opdoemende herinnering aan de tijden toen hij onder eene andere gedaante als magtig Radja nog heerschte in het weelderig Kacmir en vasallen zich bogen aan zijne voeten en schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat prachtige koninklijke dier werkelijk niets anders dan een reusachtige kat een monster der wildernis en niet veeleer een nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde dat hij zijner magt zich bewust bleef en bewezen zijne gladde bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van houding dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone prinses had weten neer te vleijen als trotsch zich oprichtend te gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne mijmering opgeschrikt sprong hij omhoog en luisterde.... Een geluid een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn fijngeoefend oor. En inderdaad schoon op nog tamelijk verwijderden afstand kwam--wel ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een jong bevallig man wiens rijke kleeding en fiere houding hem terstond als edelman deden herkennen nevens een meer bejaarden in stemmiger gewaad en achter hem twee dienaren. De eerste op een kleinen maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van edel ras de ander op een zwaarder donker paard de dienaren op grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw zijden naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd wambuis wijde broek en roode schoenen een ligte muts met een hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd een korte sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten bezetten dolk in den rijkgestikten gordel en een lange speer in de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte evenredigheid zijn schoon regelmatig gelaat was blank en slechts even door de zon getint terwijl zijne donkere oogen en lokken en een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur onmiskenbaar teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras nog schenen te verhoogen. Zijn oudere medgezel een krachtige breedgeschouderde figuur vertoonde een eenigszins donkerder tint schoon de regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden baard die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een groote witte tulband dekte zijn hoofd en zijne gestalte hulde zich in een lang tot bijna aan de voeten reikend om het midden met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere maar fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne schouders hing een klein rond schild. De dienaars droegen anders niet dan wijde los omgeslagen mantels over de anders weinig bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen ringen onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde schilden vormden hun wapentuig. Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken geweest wie deze waren van waar zij kwamen en welk het doel van hunner reis. De jonge edelman Siddha Rama was de zoon van den eersten minister van Kacmir en door zijn vader met het overbrengen van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den Grooten Mogol te Agra belast waar hij tevens het bevel zou aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij die onder de hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd vergezeld door zijn leermeester Koelloeka een Brahmaan van afkomst en deels geleerde deels krijgsman die hem zoowel in de oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te zetten hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het gebergte om vervolgens naar Allahabad te vertrekken waar Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna en waar ook de verloofde van Siddha de jeugdige Iravati dochter van den Goeverneur met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar toekomstigen echtgenoot uit bleef zien. --Maar eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha na een tijdlang stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden--gij die zoo goed hier den weg kent vertelt mij dat wij nu vlak bij de kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn en ik zie toch niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige man ook soms zijn verhuisd? --Geduld maar mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan--zoo aanstonds komen wij aan een wending van den berg die ge van hier nog niet zien kunt en als wij daar zijn zult gij spoedig genoeg het kleine bosch in de vallei zien liggen waar Gaurapada zijn stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer eerbied van den Eerwaarde spreken naar mij dunkt. Trouwens hij zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet. --Nu--hernam Siddha vergoelijkend--'t was zoo kwaad niet gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit met zijne lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend dat zich golvend scheen te bewegen schoon geen wind het verschijnsel kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras gesprongen en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk en nog voor Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester na toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen opgehouden geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd vernomen. Daar begon het golven opnieuw maar veel verder af en boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte ligchaam van een grooten tijger die met geweldige sprongen voortrende. Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen maar 't volgend oogenblik lag hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de been. --'t Is niets Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar die van zijn paard gesprongen op hem was toegesneld--ik ben hier zacht genoeg neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft afgebragt! Bij onderzoek bleek gelukkig dat het edele dier evenmin eenig letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder maar de tijger was weg en nergens meer te bespeuren zoodat men niets anders te doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den gestoorden togt voort te zetten. Zwijgend reed nu weer Siddha over zijn dwaas avontuur niet weinig beschaamd nevens zijn goeroe tot deze het stilzwijgen afbrak met te zeggen: --Gij hebt daar geloof ik een gekken streek begaan mijn waarde! --Ja!--bekende Siddha nederig--ik heb ongetwijfeld een mal figuur gemaakt met daar zoo om te rollen. --Nu--hernam Koelloeka--dat kondt gij niet helpen; niemand kan overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet ik meen iets anders. --Wat dan? --Gij zult het straks wel merken indien ten minste waar is wat ik vermoed. De glimlach die bij deze woorden om den mond van Koelloeka speelde maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de straks aangeduide wending bereikt en breidde zich een ander gedeelte der vallei nog even verlicht door den zonneschijn met zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken voor 't bewonderend oog der reizigers uit. --Zie ginds!--sprak Koelloeka met zijne lans naar een digt bosschaadje in de diepte wijzend waarlangs een heldere beek zich slingerde als een zilveren lint--daar woont Gaurapada. En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de steile helling naar omlaag volgden het half door de natuur half door ruwe kunst gevormde pad dat naar het bosch leidde en reden dit ingegaan voort tot zij aan de andere grens waren gekomen waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige vlakte. Daar onder het digte lommer verhief zich door slanke met klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund en gedekt door een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak eene nederige woning maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter het donkere woud; aan de voorzijde een honderde tinten en schakeringen weerkaatsend smaragdgroen meer zooals alleen eene Alpennatuur dat kent met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten en waarin de zilverkleurige beek die reeds van ver het oog had getroffen zich uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in 't verschiet eindelijk aan den meer en meer in de schemering wegduikenden overkant de verre reijen der bergkruinen die van hier gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen maar van gindsche vlakten beschouwd opnieuw als hemelhooge voor menschen voet nauw bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten. Een oogenblik stonden onze reizigers hier aangekomen stil en als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als liefelijke door een laatsten schemerschijn nog verlichte natuurtooneel; doch spoedig het naaste doel van hun togt zich herinnerend stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de beide dienaars terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard en eer hij het woonhuis was genaderd vertoonde zich op den drempel reeds de bewoner door een dienaar gevolgd wien hij de zorg voor de paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk. Wel zonderling mogt de indruk heeten dien de aanblik van den kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land in zijne bergen en bosschen had hij vrome boetelingen strenge heiligen rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort gezien: sommigen in vuile pijen met groote bamboestokken in de hand en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf kaalgeschoren van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt en voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en afzigtelijke wezens allen ook maar steunend op de magt van een grenzenloos fanatisme en in vadsige luiheid terend op de aalmoezen hun toegeworpen door een dom maar vastgeworteld bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge aan fijner beschaving gewende met diepe minachting op die soort van volk neerziende edelman ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester die steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinath had genoemd juist geen groote verwachting had van den man die aan de deur van gindsche woning hem zou ontvangen en een ligten toon van ironie niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het Himalaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook in zijn oog de hooge en statige figuur die ginds het woonhuis verlatend de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens innemende vriendelijkheid te gemoet kwam. Een oud man in blinkend wit gewaad met nog eenige fijne lokken om den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen baard maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen en wiens bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel getuigde dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest dan het ontvangen en opvolgen van bevelen. --Weest welkom vrienden!--sprak hij elk zijner beide bezoekers die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden bij de hand vattend--welkom in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed weer eens iets te mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen maar ging toch met vaste stem weer voort--van uw en mijn land en volk. Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden werd hunne opmerkzaamheid getrokken door een dof gebrul dat zich in de onmiddelijke nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te voorschijn en naderde met den zwaren staart zijne flanken slaande de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel. --Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend-- daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen. --Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger en terstond legde het magtige dier zieh aan de voeten des meesters. --Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha op den tijger wijzend--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een dwazen streek begingt? --Vergeving eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha met omhoog geheven handen tot Gaurapada terstond begrijpend dat hij straks jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar--ik wist inderdaad niet .... --Ik begrijp het al--viel Gaurapada hem in de rede--gij hebt Hara gejaagd. Nu dat is wel eens meer voorgekomen maar niet altijd zoo goed voor den jager afgeloopen als mijn viervoetige vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter nog nooit en als men hem geen kwaad doet valt hij ook niet aan. Ik heb hem zooals vriend Koelloeka weet hier al lang van jongs af aan en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet waar Hara?--vroeg hij zich half voorover buigend naar den tijger die halverwege zich oprigtend zijn breeden kop tegen de hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden--vervolgde deze--zijn de zijnen. Zie maar eens! En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend zich voor Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte. Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug maar streelde bedaard den kop van het dier dat hem ook verder niet bleek te verschrikken toen 't een oogenblik als behagelijk geeuwend zijne breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet zien. --Goed zoo!--sprak Gaurapada terwijl Hara weer tot hem terugkeerde--goed zoo! Ik heb er menig gezien ouder en sterker dan gij die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden die zeker een langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw weg gevonden hebt verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt mij dan volgen! En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen waarvan het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend wel is waar niet meer dan het noodige bevatte maar dat alles in de meest volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt en mede wel aanduidend dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem op de fijne op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet bragt de dienaar die straks de paarden in bewaring had genomen eenige schotels met eenvoudige maar stevige spijzen koud wild en visch benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche vruchten en toen het maal een aanvang had genomen ook een drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige fonkelende wijn werd aangeboden. --Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht edele Siddha!--sprak Gaurapada--gij waart zeker in de overtuiging dat een vrome kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen en dat een schaal goeden wijn met mate gebruikt aan de rust der ziel zou behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid. De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen kluizenaar die hem gansch als een man van de wereld deed kennen gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen en van zijn kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid schoon altijd met dien eerbied dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert betoonen de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn vader omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof van Kacmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij zich zelfs met bijzonderheden bekend die voor elk een geheim moesten zijn wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten die elkaar voor dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe het zijn mogt Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid ademden en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen ...
|