Home
AKBAR
User Rating: / 0
PoorBest 
AKBAR

Google



AKBAR

PETRUS ABRAHAM SAMUEL VAN LIMBURG BROUWER

Voor den lezer die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende
onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het
boek voorkomt en wat daarin is verdicht strekke het volgende.

Bepaald geschiedkundige personen behalve Akbar zelf zijn: Selim
zijn zoon; Aboel Fazl zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal
Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva de Jezuiet en enkele anderen
van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis
maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch
persoon maar toch een type gelijk er meer dan een in de
geschiedenis van Indie en in 't bijzonder van Kacmir valt aan
te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in
zeker opzigt eene historische figuur voorzoover zij het beeld der
echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen gelijk die in het
drama en de legende van Indie ons wordt voorgesteld. Verscheidene
gezegden eindelijk den personen in den mond gelegd zijn mede
historisch.--In enkele punten is om ligt begrijpelijke redenen
eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar
regeerden in Kacmir geen Hindoe-vorsten meer hoewel het land voor
't overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim waarvan
de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld
geschiedde gedurende den togt niet tegen Kacmir maar tegen
Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf voor diens moord;
Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is
voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der
personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van
geen invloed zijn.

In den stijl van het werk is in 't bijzonder bij de gesprekken
voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van
vreemde woorden doenlijk scheen naar behoud van den Oosterschen
vorm gestreefd en bij de spelling van eigennamen meer gelet op
gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke
schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij
bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst.

Eene uitvoerige opgave van de bronnen die bij de zamenstelling
hebben gediend zal men hier wel niet verlangen; en den
geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te
deelen. Hij toch weet dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal
Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van
Akbar's leven instellingen en begrippen zijn waaruit de meeste
latere zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput en
dat de berigten der Jezuieten uit het Hindostan van zijn tijd
schoon menigmaal blijkbaar onjuist toch in vele opzigten tot
aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers.
Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken
van meer of minder uitgebreidheid reisbeschrijvingen en plaatwerken in
dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman
dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden vertellingen romans en
drama's die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen en voor de
eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar die overigens nog 't
best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander Abdal
Kadir zijn op te maken de Vedische of oud-Indische voorstellingen
waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere
schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eene
bron verdient nog bijzondere vermelding omdat ze tot heden niet bekend
werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden
onzer Oost-Indische Compagnie die kort na Akbars regering te Soeratta
en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons
oud-koloniaal archief.

Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze
de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden vooral wat
plaatsbeschrijvingen aangaat nog altijd bestaan. In zoover die nu
hier of daar mogten zijn ingeslopen kan de schrijver wel niet
anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich
aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing.

Den Haag October 1872. v. L. B.

EERSTE HOOFDSTUK.

Een kluizenaar

Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon
weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinath
langs de steile hellingen van het Himalaya-gebergte terwijl een
zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen
omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang
hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen
en waren gelijke geuren omhoog gestegen zonder stoornis of
verandering zoo 't schijnen mogt dier altijd jeugdige maar
eenzame natuur terwijl daar omlaag in verre verte menschen
kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden en
diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te
vinden voor het bestaan van het heelal.

Ook nu--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer
jaartelling toen Djelal-ed-din Mohammed bijgenaamd Akbar of de
Groote en onder dien naam meest bekend het magtig rijk der
Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans--ook nu bleef
dat hooge gebergte nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische
Deva's lusthof thans van Britsche aristocraten nog een wild en
onherbergzaam door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans
was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel die
nu en dan of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende
insectenzwermen dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch
bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam
beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als
verborgen in het hooge gras der berghelling lag behagelijk
uitgestrekt een groote fraai gevlekte tijger droomend en als in
wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen dan
weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht en omlaag
starend naar de liefelijke groene vallei die daar beneden zich
uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen
verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen
veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht soms dus omhoog
blikkend soms nederziend in de diepte? Misschien wel met
nevelachtig weer opdoemende herinnering aan de tijden toen hij
onder eene andere gedaante als magtig Radja nog heerschte in het
weelderig Kacmir en vasallen zich bogen aan zijne voeten en
schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat
prachtige koninklijke dier werkelijk niets anders dan een
reusachtige kat een monster der wildernis en niet veeleer een
nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en
overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn
waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog
toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde
dat hij zijner magt zich bewust bleef en bewezen zijne gladde
bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van
houding dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone
prinses had weten neer te vleijen als trotsch zich oprichtend te
gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne
mijmering opgeschrikt sprong hij omhoog en luisterde.... Een
geluid een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn
fijngeoefend oor.

En inderdaad schoon op nog tamelijk verwijderden afstand kwam--wel
ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig
begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een
jong bevallig man wiens rijke kleeding en fiere houding hem
terstond als edelman deden herkennen nevens een meer bejaarden in
stemmiger gewaad en achter hem twee dienaren. De eerste op een
kleinen maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van
edel ras de ander op een zwaarder donker paard de dienaren op
grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw
zijden naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd
wambuis wijde broek en roode schoenen een ligte muts met een
hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd een korte
sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten
bezetten dolk in den rijkgestikten gordel en een lange speer in
de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte
evenredigheid zijn schoon regelmatig gelaat was blank en slechts
even door de zon getint terwijl zijne donkere oogen en lokken en
een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur onmiskenbaar
teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras nog schenen te
verhoogen. Zijn oudere medgezel een krachtige breedgeschouderde
figuur vertoonde een eenigszins donkerder tint schoon de
regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van
hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden
baard die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een
groote witte tulband dekte zijn hoofd en zijne gestalte hulde
zich in een lang tot bijna aan de voeten reikend om het midden
met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere maar
fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne
schouders hing een klein rond schild. De dienaars droegen anders
niet dan wijde los omgeslagen mantels over de anders weinig
bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen
ringen onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend
sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde
schilden vormden hun wapentuig.

Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken
geweest wie deze waren van waar zij kwamen en welk het doel van
hunner reis. De jonge edelman Siddha Rama was de zoon van den
eersten minister van Kacmir en door zijn vader met het overbrengen
van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den
Grooten Mogol te Agra belast waar hij tevens het bevel zou
aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij die onder de
hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd
vergezeld door zijn leermeester Koelloeka een Brahmaan van
afkomst en deels geleerde deels krijgsman die hem zoowel in de
oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude
heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften
had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te
zetten hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het
gebergte om vervolgens naar Allahabad te vertrekken waar
Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan
het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna en waar ook de
verloofde van Siddha de jeugdige Iravati dochter van den
Goeverneur met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar
toekomstigen echtgenoot uit bleef zien.

--Maar eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha na een tijdlang
stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden--gij die
zoo goed hier den weg kent vertelt mij dat wij nu vlak bij de
kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn en ik zie toch
niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige
man ook soms zijn verhuisd?

--Geduld maar mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan--zoo
aanstonds komen wij aan een wending van den berg die ge van hier
nog niet zien kunt en als wij daar zijn zult gij spoedig genoeg
het kleine bosch in de vallei zien liggen waar Gaurapada zijn
stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer
eerbied van den Eerwaarde spreken naar mij dunkt. Trouwens hij
zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet.

--Nu--hernam Siddha vergoelijkend--'t was zoo kwaad niet
gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit met zijne
lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend dat
zich golvend scheen te bewegen schoon geen wind het verschijnsel
kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon
weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras
gesprongen en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de
plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk
en nog voor Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester
na toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd
om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen
opgehouden geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd
vernomen. Daar begon het golven opnieuw maar veel verder af en
boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte
ligchaam van een grooten tijger die met geweldige sprongen voortrende.
Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen maar 't volgend oogenblik lag
hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had
paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de
been.

--'t Is niets Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar die van zijn
paard gesprongen op hem was toegesneld--ik ben hier zacht genoeg
neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft
afgebragt!

Bij onderzoek bleek gelukkig dat het edele dier evenmin eenig
letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder maar de tijger
was weg en nergens meer te bespeuren zoodat men niets anders te
doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den
gestoorden togt voort te zetten.

Zwijgend reed nu weer Siddha over zijn dwaas avontuur niet weinig
beschaamd nevens zijn goeroe tot deze het stilzwijgen afbrak met
te zeggen:

--Gij hebt daar geloof ik een gekken streek begaan mijn waarde!

--Ja!--bekende Siddha nederig--ik heb ongetwijfeld een mal figuur
gemaakt met daar zoo om te rollen.

--Nu--hernam Koelloeka--dat kondt gij niet helpen; niemand kan
overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet ik meen iets
anders.

--Wat dan?

--Gij zult het straks wel merken indien ten minste waar is wat ik
vermoed.

De glimlach die bij deze woorden om den mond van Koelloeka
speelde maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer
gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de
straks aangeduide wending bereikt en breidde zich een ander
gedeelte der vallei nog even verlicht door den zonneschijn met
zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken
voor 't bewonderend oog der reizigers uit.

--Zie ginds!--sprak Koelloeka met zijne lans naar een digt
bosschaadje in de diepte wijzend waarlangs een heldere beek zich
slingerde als een zilveren lint--daar woont Gaurapada.

En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de
steile helling naar omlaag volgden het half door de natuur half
door ruwe kunst gevormde pad dat naar het bosch leidde en reden
dit ingegaan voort tot zij aan de andere grens waren gekomen
waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige
vlakte.

Daar onder het digte lommer verhief zich door slanke met
klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund en gedekt door
een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak eene nederige
woning maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof
veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige
kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter het
donkere woud; aan de voorzijde een honderde tinten en schakeringen
weerkaatsend smaragdgroen meer zooals alleen eene Alpennatuur dat
kent met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten en waarin de
zilverkleurige beek die reeds van ver het oog had getroffen zich
uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te
verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in
't verschiet eindelijk aan den meer en meer in de schemering
wegduikenden overkant de verre reijen der bergkruinen die van hier
gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen maar van gindsche
vlakten beschouwd opnieuw als hemelhooge voor menschen voet nauw
bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten.

Een oogenblik stonden onze reizigers hier aangekomen stil en
als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als
liefelijke door een laatsten schemerschijn nog verlichte
natuurtooneel; doch spoedig het naaste doel van hun togt zich
herinnerend stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de
beide dienaars terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om
door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van
hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard en eer hij het
woonhuis was genaderd vertoonde zich op den drempel reeds de
bewoner door een dienaar gevolgd wien hij de zorg voor de
paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk.

Wel zonderling mogt de indruk heeten dien de aanblik van den
kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land in zijne
bergen en bosschen had hij vrome boetelingen strenge heiligen
rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort
gezien: sommigen in vuile pijen met groote bamboestokken in de
hand en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een
soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met
nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf kaalgeschoren
van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt en
voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend
aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige
gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en
afzigtelijke wezens allen ook maar steunend op de magt van een
grenzenloos fanatisme en in vadsige luiheid terend op de
aalmoezen hun toegeworpen door een dom maar vastgeworteld
bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge aan fijner beschaving
gewende met diepe minachting op die soort van volk neerziende
edelman ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester die
steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinath had genoemd
juist geen groote verwachting had van den man die aan de deur van
gindsche woning hem zou ontvangen en een ligten toon van ironie
niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het
Himalaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook
in zijn oog de hooge en statige figuur die ginds het woonhuis
verlatend de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens
innemende vriendelijkheid te gemoet kwam.

Een oud man in blinkend wit gewaad met nog eenige fijne lokken om
den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen
baard maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen
en wiens bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel
getuigde dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest
dan het ontvangen en opvolgen van bevelen.

--Weest welkom vrienden!--sprak hij elk zijner beide bezoekers
die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden bij de hand vattend--welkom
in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed weer eens iets te
mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen
maar ging toch met vaste stem weer voort--van uw en mijn land en
volk.

Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden werd hunne opmerkzaamheid
getrokken door een dof gebrul dat zich in de onmiddelijke
nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de
woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te
voorschijn en naderde met den zwaren staart zijne flanken
slaande de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug
en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel.

--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend--
daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen.

--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger en terstond legde het
magtige dier zieh aan de voeten des meesters.

--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha op den
tijger wijzend--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een
dwazen streek begingt?

--Vergeving eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha met omhoog
geheven handen tot Gaurapada terstond begrijpend dat hij straks
jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar--ik wist
inderdaad niet ....

--Ik begrijp het al--viel Gaurapada hem in de rede--gij hebt
Hara gejaagd. Nu dat is wel eens meer voorgekomen maar niet
altijd zoo goed voor den jager afgeloopen als mijn viervoetige
vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter
nog nooit en als men hem geen kwaad doet valt hij ook niet aan.
Ik heb hem zooals vriend Koelloeka weet hier al lang van jongs
af aan en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet
waar Hara?--vroeg hij zich half voorover buigend naar den
tijger die halverwege zich oprigtend zijn breeden kop tegen de
hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden--vervolgde
deze--zijn de zijnen. Zie maar eens!

En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder
waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend zich voor
Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte.
Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug maar streelde
bedaard den kop van het dier dat hem ook verder niet bleek te
verschrikken toen 't een oogenblik als behagelijk geeuwend zijne
breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet
zien.

--Goed zoo!--sprak Gaurapada terwijl Hara weer tot hem
terugkeerde--goed zoo! Ik heb er menig gezien ouder en sterker
dan gij die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan
andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden die zeker een
langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw
weg gevonden hebt verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt
mij dan volgen!

En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen waarvan
het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend wel is waar
niet meer dan het noodige bevatte maar dat alles in de meest
volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt en mede wel
aanduidend dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en
het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem
op de fijne op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet
bragt de dienaar die straks de paarden in bewaring had genomen
eenige schotels met eenvoudige maar stevige spijzen koud wild en
visch benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche
vruchten en toen het maal een aanvang had genomen ook een
drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige fonkelende
wijn werd aangeboden.

--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht edele Siddha!--sprak
Gaurapada--gij waart zeker in de overtuiging dat een vrome
kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent
dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb
nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in
noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen en dat een
schaal goeden wijn met mate gebruikt aan de rust der ziel zou
behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en
dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid.

De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen
kluizenaar die hem gansch als een man van de wereld deed kennen
gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen en van zijn
kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid schoon altijd met
dien eerbied dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert
betoonen de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn
vader omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof
van Kacmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig
alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij
zich zelfs met bijzonderheden bekend die voor elk een geheim
moesten zijn wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke
paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in
vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten die
elkaar voor dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe
het zijn mogt Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de
ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op
dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid
ademden en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen
...



 

Custom Writing Service

Writeforce.com - custom writing service.

GetBookee.com

Best free books directory here - enjoy

Lead2Pass

Latest Cisco CCNA Exam Questions

Paypal Donate

Search PDFbooks

Google
Web pdfbooks.co.za

Who's Online

We have 6 guests and 12 members online

News24

  • Action over army school abuse: Report
    Officials at the Army Infantry School in Oudtshoorn might face disciplinary action or suspension over the physical abuse of recruits, says a report.
        


  • New planes for presidency: Report
    A report says the defence force will buy new presidential jets and planes as soon as possible to, according to the minister, save some of the millions spent each week on chartering aircraft.
        


  • Brumbies win in wet Auckland
    The Brumbies have returned to winning ways, beating the Blues in their Super Rugby clash at a drenched Eden Park in Auckland.